Ter overdenking: Een dringende oproep
Strijdt om in te gaan.Lukas 13: 24a
Deze klemmende oproep van de Heere Jezus wordt vooraf gegaan door een vraag: “Zijn er maar weinigen, die zalig worden?” Dit was geen vraag uit bewogenheid maar uit kritiek. We kunnen deze ook wat anders weergeven: “Het zijn er zeker maar weinigen, die zalig worden!” De mensen, die deze vraag stellen, verwachten niet zoveel van het werk van de Heere Jezus. Erger nog: ze staan er vijandig tegenover.
Het antwoord van de Heiland klinkt in de vorm van een ernstige oproep: “Strijdt gij, om in te gaan in het eeuwige leven.” Zijn antwoord wordt in het meervoud uitgesproken. Stellig zullen anderen bij de vraagsteller gestaan hebben en instemmend hebben geknikt: “Ja, zo is het!”
Die oproep weerklinkt ook in ons leven. Want het is niet de vraag hoe veel of hoe weinig mensen zalig zullen worden, maar of het ook voor óns zal zijn weggelegd. Zeker, de vraag die gesteld wordt, kan ook in ons hart opkomen. Stel je voor, dat slechts weinigen zalig worden. Zal ik er dan bij kunnen behoren? ’t Lijkt soms zo onmogelijk. Als we zien op onze zonde, op de neiging om altijd weer de Heere te verlaten, kunnen we de moed wel verliezen.
En toch weerklinkt die roep: “Strijdt om in te gaan”. Dat is een levenslange strijd. En als we die strijd kennen, dan zullen we weten hoe dikwijls we in die strijd verslappen. Toch kan dat niet. Want van die strijd hangt alles af.
Maar wat kunnen de beslommeringen van het leven ons daarin tegenhouden. Daarbij komt, dat we zo gemakzuchtig kunnen zijn. Niemand bindt uit zichzelf die strijd aan. En toch kunnen we het eeuwige leven zonder die strijd niet beërven. We komen er niet door er wat over te praten. We moeten strijden om in te gaan. Dat betekent dat al het onze moet worden afgebroken. Onze hoogmoed. Onze eigengerechtigheid. Alles.
Tegenover ‘ingaan’ staat ‘buiten blijven staan’. Dat is vreselijk. Het betekent: voor eeuwig verloren gaan. En dat, terwijl de welmenende roep des Heeren zo weerklonken heeft.
Strijden om in te gaan, houdt in dat we ons niet laten ophouden door allerlei onzinnige vragen. We kunnen zoveel problemen oproepen. We kunnen zelfs theologiseren met de bedoeling de Heere buiten het leven te houden. Daar is de ernst van de eeuwigheid echter te groot voor. Daarom geeft de Heere geen antwoord. Wie kan met ‘veel of weinig’ uit de voeten? Wat is veel en wat is weinig? Als één zondaar tot bekering komt, is dat toch al een wonder van Gods eeuwige ontferming?
“Zijn er ook weinigen die zalig worden?”Ik hoor een heel andere vraag: “Zult u daarbij behoren?” Als die vraag ons op het hart gebonden wordt, zullen we buiten de Heere geen rust meer kunnen vinden. Dan gaan we strijden. Dat wil zeggen: we gaan de Heere aanroepen met smeking en geween, of Hij ons genadig wil zijn. Opdat we mogen delen in de vruchten van Christus’ werk.
In die strijd mogen we ons niet laten afleiden door de leugenpraat van de duivel. Die stelt het voor alsof niemand zalig kan worden. In die strijd mogen we ons ook niet ophouden met gedachten en woorden waarin de genade des Heeren verkleind wordt. We mogen niet gering van de Heere denken. Strijden om in te gaan is: de Heere aanspreken op het woord van Zijn belofte: “Ik laat U niet gaan, tenzij Gij mij zegent!” Dat is geen onheilige brutaliteit, maar een schreien uit de nood van het hart. Kennen we dat?
Het is ook een gezegende strijd. Daarin wil de Heere de overwinning geven. Als zijdie gestreden hebben, ingaan door de enge poort, waar de Heere ook van spreekt, zullen zij zich niet kunnen of willen beroemen. Wat zal het tot verwondering zijn als gezien mag worden op de Borg, die Zelf ook in zware strijd is geweest, om daardoor kracht te verlenen aan hen die de goede strijd des geloofs strijden en zo grijpen naar het eeuwige leven.
Aan het einde van de weg horen we Paulus getuigen: “In Hem zijn we meer dan overwinnaars”. Dan gaat het om machteloze strijders, die de overwinning behalen in de kracht en de mogendheid des Heeren.
Strijdt om in te gaan in het eeuwige leven. Daar zal ook de eeuwige rust zijn. Daar is de strijd gestreden en staat de triomferende kerk met de palmtak der overwinning in de handen. Laten we ijverig zijn om in te gaan in de rust, die overblijft voor het volk van God. Die eeuwige vreugde is zo groot, dat we er die strijd best voor over mogen hebben. De Heere is het waard. Wat zullen Gods kinderen eeuwig die rust mogen genieten, die hun beloofd is in het strijdperk van dit leven. Hém geldt dan ook eeuwig de roemtaal van de verloste kerk. Zo mogen we belijden: “We steken ’t hoofd omhoog en zullen d’eerkroon dragen: door U alleen, om ’t eeuwig welbehagen!”
Ds. W. Arkeraats
Voorgaande meditaties
Het bloed van een Mens, als een bijzonder probaat en krachtig reinigingsmiddel
Een dringende oproep
Tot vrijheid geroepen
Een behouden aankomst
Toon alle nieuwsberichten