Ter overdenking: Verwachting

Toen bad Hanna en zei: Mijn hart springt op van vreugde in de HEERE, mijn hoorn is opgeheven in de HEERE; mijn mond is wijd open tegen mijn vijanden, want ik verheug mij in Uw heil.1 Samuel 2: 1-10

In 1 Samuël 2 ontmoeten we Hanna, haar naam betekent ‘God heeft mij begenadigd’, een mooie naam voor een vrouw met een triest bestaan. We kennen de geschiedenis van Hanna, de vrouw van Elkana die zielsbedroefd is omdat ze kinderloos is. Ze ondergaat het gesar van Peninna, de andere vrouw van Elkana en met haar verdriet gaat naar ze God. Hanna verwacht het van de Heere, ze zoekt haar hulp bij Hem. We weten niet of ze zich ten einde raad tot Hem heeft gewend of dat ze haar verwachting altijd al op de Heere heeft gevestigd. Eigenlijk doet dit er niet toe, ze ging naar de Heere toen ze volledig was vastgelopen. En ze bidt, haar gebed was meer dan een plichtmatig vragen, het was een wanhopige schreeuw om hulp. Ze belooft God, als haar gebed wordt verhoord en zij een zoon krijgt, dat zij dit kind aan Hem zal afstaan. Zou ze beseft hebben wat ze beloofde? Zou ze gerekend hebben op de verhoring van haar gebed? Beseffen wij wat we soms aan God beloven? Hoeveel beloften zijn we al nagekomen, of liever hoeveel beloften zijn we vergeten?

God verhoort het gebed van Hanna en ze krijgt een zoon, Samuel.

En nu is Hanna weer in Silo en ze gaat weer bidden. Het is een heel ander gebed dan een paar jaar geleden. Toen had ze gesmeekt, toen ging ze gebukt onder haar verdriet en stortte ze haar hart uit bij de Heere. Nu juicht haar hart“Mijn hart springt op van vreugde in de HEERE, mijn hoorn is opgeheven in de HEERE”.

Als God iemands hoorn verheft, doet Hij hem triomferen over zijn vijanden. Dat heeft Hanna ervaren, Peninna heeft geen reden meer om haar te treiteren. Ze heeft een zoon gekregen en nu dankt ze de Heere.

Het is goed om daar even bij stil te staan. Hanna dankt de Heere omdat Hij haar gebed heeft verhoord. Doen wij dat ook? We mogen God alles vragen wat we nodig hebben. We mogen bidden om dagelijks brood, om genezing, om troost, om hulp. God wil graag gebeden worden. Maar wat doen we als onze gebeden zijn verhoord? Gaan we dan ook danken, net als Hanna, of vergeten we dat zomaar? Misschien is ons bidden veel meer vragen dan danken. Let er eens op en vergeet niet te danken.

Hanna zingt dit loflied op een bijzonder moment, ze neemt afscheid van haar kleine jongen. Hij zal bij Eli blijven in Silo, de plek waar het heiligdom van de Heere staat.

Dat was niet de beste plek om je kind achter te laten, de zonden van de zonen van Eli logen er niet om. En moet je daar een klein kind, een kleuter nog, achterlaten. Hanna, gebruik je verstand, dat doe je toch niet! Maar Hanna doet het wel, ze komt haar belofte aan God na.

Misschien heeft ze ook getwijfeld, het valt niet mee om je kind los te laten, maar Hanna verwacht het opnieuw van de Heere. Van Hem is haar verwachting.

En ze gaat weer naar huis, met haar man, zonder haar kind. Toch kan ze juichen van blijdschap. De Heere is immers haar rots, Hij heeft laten zien dat Hij oog voor haar heeft. En dan zal Hij ook wel oog hebben voor Samuel in Silo. Daarom kan ze hem achterlaten, vol vertrouwen op Hem die haar verwachting niet heeft beschaamd.

Er is een overeenkomst tussen de lofzang van Hanna en de lofzang van Maria. Hanna had haar kind van de hemel afgebeden, Maria kreeg een kind waar ze niet om gevraagd had, maar allebei zingen ze ervan, weliswaar met verschillende woorden, dat hongerigen met goederen worden vervuld en rijken ledig worden weggezonden.

En ze beginnen met een lofzang: “Mijn hart springt op van vreugde in de Heere” zingt Hanna. “Mijn ziel maakt groot de Heere” jubelt Maria hier boven uit. Ze hebben niet zoveel gemeen, Hanna, de echtgenote van de bemiddelde Elkana uit Ramathaïm Zofim en Maria, het arme meisje uit Nazareth. Toen Hanna haar lofzang aanhief was ze al moeder, toen Maria haar lied zong was ze een meisje van hooguit 16 jaar en moest ze nog moeder worden. Maar wat ze wel gemeen hebben is dat ze alles van de Heere verwachten.

De zoon van Hanna werd geboren om de eer van God in Israël te herstellen, de zoon van Maria had een oneindig grotere taak, het eerherstel van Zijn Vader. Hij werd geboren om Gods eer te herstellen. Want Gods eer op aarde is aangetast, wij hebben zijn majesteit geschonden. Wij zijn geschapen om Zijn lof te verkondigen, maar onze lof is verstomd door onze zonden.

Zondag is de eerste adventszondag. Advent betekent verwachten. Maar wat verwachten wij, hebben wij eigenlijk nog verwachting? Verwachten wij het van de komende Christus?

Geven wij ons gelovig over en verwachten wij alles van Hem? Hanna zat hopeloos vast, niemand kon haar helpen, maar zij verwachtte het van haar God. En haar verwachting werd niet beschaamd, ze kreeg een kind en ze kon haar Samuel, toen ze haar belofte moest inlossen, ook weer loslaten. Verwachten is niet alleen afwachten, verwachten is ook doen! De daad van Hanna was haar gelovig gebed en haar overgave aan God. Wat doen wij?

Peter van Wijngaarden



Voorgaande meditaties


Ga terug naar de vorige pagina Inloggen